Filosofie van William of Ockham

Kenmerkend voor de scholastiek van de dertiende en de veertiende eeuw was de centrale rol die de geschriften van Aristoteles daarin speelden. Tot die tijd hadden de westerse filosofen alleen een aantal Aristotelische teksten over logica en taalfilosofie bestudeerd: de Categorieën en De interpretatione. Nu kwamen ook bijvoorbeeld de Metafysica en de Fysica binnen handbereik (via de Arabische filosofen in Spanje).

De scholastiek van de dertiende eeuw stond voornamelijk in het teken van het inventariseren van de nieuw verworven kennis. De scholastiek van de veertiende eeuw zou je "kritisch" kunnen noemen: daarin werd de traditionele filosofie "getest" met behulp van het Aristotelisme.

Aristoteles was geen christen en zijn opvattingen over hoe de wereld in elkaar steekt waren dan ook op een aantal punten in strijd met wat de kerk leert. Vandaar dat de kerk de verrichtingen van al die aristotelici aan de universiteiten nauwlettend in de gaten hield, beducht op ook maar het kleinste spoortje van ketterij. Tegelijkertijd werden oude dogma's (bijvoorbeeld die over de werkelijke tegenwoordigheid van Christus in het brood en de wijn van de heilige mis) opnieuw geformuleerd in aristotelische termen van essentie, substantie en accidenten.

De scholastiek van de veertiende eeuw sprong dus vrijer om met de aristotelische erfenis dan de dertiende eeuwse scholastici hadden gedaan. Een sleutelfiguur bij die overgang is de Schotse filosoof Johannes Duns Scotus (gestorven in 1308), die lesgaf in Parijs en Oxford. Zijn invloed was groot en is ook bij Ockham duidelijk aan te wijzen.

Uitgangspunten van Ockhams filosofie

Alles is mogelijk voor God, behalve die dingen die een tegenspraak inhouden. Anders gezegd: alles is mogelijk voor God, behalve wat logisch onmogelijk is.

Alles wat God via secundaire oorzaken veroorzaakt (dus met een tussenweg, met hemzelf als eerste oorzaak), kan hij ook rechtstreeks veroorzaken.

God kan veroorzaken, produceren of in stand houden elke realiteit (of het nu een substantie of een accident is), los van elke andere realiteit. Voorbeelden: materie zonder vorm, of omgekeerd, en substantie zonder accident, of omgekeerd.

We mogen pas zeggen dat een bewering A waar is of dat een ding X bestaat:

  • Als dat zelf-evident is;
  • Door openbaring;
  • Door ervaring of observatie;
  • Door logische deductie uit een openbaring of een observatie (of beter gezegd: door logische deductie uit zinnen die die openbaring of observatie onder woorden brengen).

De scholastici maakten onderscheid tussen "voldoende" en "noodzakelijke" redenen. Alle geschapen dingen hebben uiteindelijk geen voldoende, maar alleen een noodzakelijke oorzaak. God heeft immers een vrije wil: uit het bestaan van God volgt niet het bestaan van de dingen (God is geen voldoende oorzaak), maar de dingen kunnen alleen dan bestaan als God er de oorzaak van is (God is een noodzakelijke oorzaak). Alles wat bestaat en niet God is, is wezenlijk contingent (toevallig).

Ockhams "scheermes"

Ockham's razor, ook wel het zuinigheidsprincipe of parsimonieprincipe genoemd, wordt door Ockham zelf meestal als volgt geformuleerd: Pluralitas non est ponenda sine necessitate -- "Je moet geen veelvoud aannemen zonder noodzaak". Of ook wel: "Wat uitgelegd kan worden door de minste aannames, wordt niet méér uitgelegd door meer aannames." De beste uitleg van een bepaald verschijnsel is dus de uitleg waarvoor je de minste aannames nodig hebt. In zijn tijd was het gebruikelijk om te denken dat diegene die de ingewikkeldste verklaring voor een fenomeen kon bedenken, de slimste moest zijn en daarom gelijk moest hebben. Ockham was het hier niet mee eens. Hij stelde: in een redenering mogen niet meer elementen gebruikt worden, dan die strikt noodzakelijk zijn. Dus: liever een simpele theorie die feiten goed kan verklaren dan een ingewikkelde.

Bron Maarten Arends