William of Ockham werd rond 1285 geboren te Ockham in Engeland. Hij werd rond z'n veertiende waarschijnlijk "weggegeven" aan de orde van de Franciscanen. In die tijd was het gebruikelijk dat als ouders hun kind verder wilde laten leren, ze hun kind als oblaat aan een klooster gaven. Alleen als je een geestelijke wijding had ontvangen kon je naar een universiteit.

William kwam terecht in Greyfriars te Londen, het belangrijkste Franciscaanse centrum in Engeland. Hier kreeg hij les in logica, natuurfilosofie en theologie.

In 1306 werd Ockham tot subdiaken gewijd. Hij was toen in elk geval achttien jaar aangezien dat de minimumleeftijd voor die wijding was. Uiteindelijk ging hij theologie studeren aan de universiteit van Oxford.

Het schrijven van commentaar op het standaardwerk voor de theologiestudie, de Sententiae van Petrus Lombardus (samengesteld in 1150-52), was een verplicht onderdeel van het universitaire programma. Ockham schreef zijn commentaar op de Sententiae tussen 1317 en 1319.

Ockhams commentaar op het boek van Petrus Lombardus zette kwaad bloed bij zijn collega's. John of Reading (ca. 1270-1346), die een of twee jaar eerder dan Ockham sententiarius was aan de Oxfordse universiteit, levert er in zijn eigen commentaar op de Sententiae (herzien tussen 1318 en 1321) snibbig kritiek op. Ook anderen lieten zich niet onbetuigd. Ze vonden dat Ockham op bepaalde punten tegen de leer van de kerk inging, bijvoorbeeld in zijn opvattingen over de Eucharistie.

In 1321 leek er echter nog geen vuiltje aan de lucht. Ockham kreeg een benoeming als lector in de filosofie, waarschijnlijk aan zijn "thuisklooster" Greyfriars. Hij was op dat moment baccalarius formatus en wachtte op een gelegenheid om op te gaan voor het licentiaat in Oxford. Tussen 1321 en 1324 schreef hij onder meer commentaren op de Categorieën en De interpretatione van Aristoteles en zijn hoofdwerk, de lijvige Summa logicae, waarin hij een overzicht geeft van zijn logica en taalfilosofie.

In 1323 barstte de bom. Eerst moest Ockham zich melden bij het provinciaal kapittel van de Franciscanen in Engeland om een toelichting te geven op zijn opvattingen over de Aristotelische categorieën. Het is niet bekend wat het antwoord van het kapittel hierop was en of Ockham een straf kreeg opgelegd. In datzelfde jaar diende iemand een klacht tegen hem in bij het pauselijk hof in Avignon in Frankrijk (van 1309 tot 1378 zat daar de Heilige Stoel, een enkele tegenpaus daargelaten) wegens het onderwijzen van ketterse opvattingen.

Ockham zou vier jaar in Avignon blijven. Zijn zaak sleepte zich twee jaar voort en werd in 1326 afgeblazen, zonder dat er een veroordeling uit was voortgekomen. Niettemin was Ockhams academische loopbaan voorbij.

In de nacht van 26 mei 1328 vluchtte Michiel van Cesena weg uit Avignon, samen met Ockham en nog twee andere Franciscanen. Michiel was het hoofd van de Franciscanen en stond op het punt vervangen te worden door de paus, omdat hij het niet eens was met een beslissing die de paus had genomen. Hij was naar Avignon gekomen om over het conflict te praten, maar hij had paus Johannes XXII niet kunnen overtuigen van zijn gelijk. Inzet van de ruzie was de zeggenschap over de kloosters, kerkgebouwen en andere goederen waar de Franciscanen het vruchtgebruik van hadden. Michiel van Cesena zou al kort na zijn komst in Avignon in contact met Ockham zijn gekomen, die in hetzelfde klooster verbleef, en vroeg Ockham om een theoretische verhandeling te schrijven over het standpunt van de Franciscanen, om zo in juridisch en theologisch opzicht een sterkere zaak te hebben. Ockham kwam tot de conclusie dat zijn generaal gelijk had en dat de theologische motivatie die Johannes XXII gaf voor zijn beslissing -- namelijk dat niet vaststond dat Jezus en de apostelen óók geen persoonlijke bezittingen hadden gehad (hierop rustte de armoede-regel van Franciscus) -- in strijd was met het standpunt van eerdere pausen.

De paus wilde van geen wijken weten en riep een generaal kapittel van de Franciscanen bijeen om een nieuwe generaal te laten kiezen. Michiel wachtte de uitkomst van de vergadering niet af, maar zocht een nieuwe beschermheer: de Duitse keizer, Lodewijk van Beieren, die zijn eigen redenen had om ruzie te hebben met de paus en die zojuist in Rome een tegenpaus had laten installeren, Nicolaas V, en zich door hem tot keizer van het Heilige Roomse Rijk had laten kronen. De vier vluchtelingen liepen de keizer in Pisa tegen het lijf en trokken met hem mee naar München.

Daar zou Ockham de rest van zijn leven slijten, als politieke banneling die zijn tijd vulde met het schrijven van politieke tractaten tegen Johannes XXII en diens opvolger Benedictus XII. De belangrijkste van die werken zijn het Opus nonaginta dierum ("Het werk van negentig dagen"), geschreven in inderdaad negentig dagen in 1332 en gericht tegen de constituties van Johannes XXII over de Franciscanenkwestie en de Dialogus (een verzameling tractaten in dialoogvorm over de kerk, de organisatie van de kerk en ketterij).

In 1347 stierf Lodewijk van Beieren. Ockham was toen zijn beschermheer kwijt. Er zat niets anders op: hij moest zich weer zien te verzoenen met de paus. Er werd een verklaring opgesteld waarin hij opnieuw trouw zweert aan de heilige moederkerk en de paus en hij afstand neemt van de rebellie van Lodewijk van Beieren en Michiel van Cesena. Of Ockham die verklaring ook heeft ondertekend is niet bekend. Kort daarop stierf hij, waarschijnlijk aan de zwarte dood. Hij werd begraven in de Minderbroederskerk in München. In 1802 werd zijn graf geruimd.

Bron Maarten Arends